Fietsonderdelen

Een fiets bestaat uit vele onderdelen. Als je net begint met fietsen, sta je soms te klapperen met je oren: wat een termen om de onderdelen van je fiets te benoemen. We helpen je een handje op weg in dit jargon en laten je zien wat bijvoorbeeld derailleurs, cranks, bracketspots zijn.

Onderdelen van de fiets

1. Zadel
Zijn er in talloze soorten en maten.

2. Zadelpen
Verbindt het zadel met de zitbuis.

3. Stuur
Een stuur op de racefiets heeft altijd beugels. In verschillende breedtes (38 tot 46 cm) verkrijgbaar. Samen met het zadel en de pedalen jouw contactpunt met de fiets.

4. Stuurpen
Verbindt de voorvork met het stuur.

5. Stuurlint
Zorgt voor grip.

6. Remhendel
Is uiteraard om te remmen, maar je kunt er ook je hand op laten rusten tijdens het fietsen.

7. Shifter
In de remhendel geïntegreerde hendel om te schakelen. De bediening is afhankelijk van het merk (Shimano, Campagnolo, Sram).

8. Balhoofdbuis
De voorste buis van het frame. Binnenin loopt de voorvork.

9. Voorvork
Maakt in combinatie met het stuur sturen mogelijk. Is ook bij de wat goedkopere racefietsen vaak van carbon voor maximale stijfheid.

10. Naaf
Middelste gedeelte van het wiel. Vaak wordt het geheel van naaf, lagers en as bedoeld.

11. Snelspanner
Hiermee kan het wiel snel en gemakkelijk met één beweging worden los- dan wel vastgemaakt in de vork.

12. Velg
Bepaalt samen met de spaken in grote mate de stijfheid en zwaarte van het wiel.

13. Ventiel
Bij racefietsen wordt het Prestaventiel gebruikt. Meestal wordt dit een Frans ventiel genoemd. Voor het oppompen moet altijd eerst een moertje losgedraaid worden en voorzichtig worden ingedrukt om wat lucht uit de band te laten ontsnappen. Voor het Frans ventiel is een verloopnippel nodig bij het gebruik van een Nederlandse fietspomp (met knijper).

14. Bovenbuis
Wordt ook wel liggende buis genoemd.

15. Onderbuis
Wordt ook wel schuine buis genoemd.

16. Zitbuis
Ook wel staande buis of zadelbuis genoemd.

17. Achtervork
Gedeelte van het frame achter de zitbuis. Bestaat uit een dubbele driehoeksconstructie waar het achterwiel tussendoor loopt.

18. Rem
Bestaat uit remhoeven en remblokjes. Remblokjes lopen bij het inknijpen van de remhendel tegen de velg aan waardoor je afremt. Remblokjes slijten dus (zeker bij nat weer) en dienen regelmatig afgesteld en vervangen te worden.

19. Remkabel
Brengt de kracht van de remhendel over naar de rem. Wordt vaak ook weggewerkt in het frame waardoor je ze bijna niet meer ziet.

20. Bracketpot
Gedeelte onderaan van het frame waar het bracketstel doorheen gaat.

 

Aandrijving van de racefiets: de onderdelen benoemd 
21. Cassette
De tandwielen achter. Vaak 9 of 10 in totaal en aangegeven als 9-speed of 10 speed. Wordt in de volksmond ook wel kransjes genoemd.

22. Ketting
Zorgt voor de krachtoverbrenging van pedalen naar het achterwiel waardoor de fiets in beweging wordt gebracht. Een ketting is zo sterk als zijn zwakste schakel.

23. Crankstel
Benaming voor de cranks en de kettingbladen. Zijn verkrijgbaar met drie kettingbladen (triple), twee kettingbladen (double) en twee wat kleinere kettingbladen (compact).

24. Voorderailleur
Zorgt ervoor dat de ketting kan worden gewisseld tussen de kettingbladen op het crankstel. Hoe groter het kettingblad voor hoe groter het verzet.

25. Pedaal
Pedalen op een racefiets zijn anders dan op een reguliere fiets. Met een plaatje op je fietsschoen klik je je voet vast aan het pedaal. Door je hak naar buiten te draaien komt je voet weer los. Pedalen worden ook wel clipless of klikpedaal genoemd.

26. Achterderailleur
Zorgt ervoor de ketting op een ander tandwiel kan worden gebracht. Hoe groter het tandwiel achter hoe lichter het verzet. Houdt de ketting ook op spanning.

27. Derailleurwieltjes
Twee kleine tandwieltjes die de ketting door de achterderailleur leiden.